ECLI:NL:CRVB:2015:4992

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2015
Publicatiedatum
13 januari 2016
Zaaknummer
14/3948 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a TWArt. 12 TWWet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering toeslag wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) vanaf 10 mei 2006. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok deze toeslag met terugwerkende kracht in vanaf 7 maart 2007, later gecorrigeerd naar 14 augustus 2007, omdat appellant's kinderen waren vertrokken naar Egypte en daardoor niet meer tot zijn huishouden behoorden.

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking en de terugvordering van de ten onrechte betaalde toeslag, stellende dat de inlichtingenverplichting niet was geschonden omdat de vertrekdatum van zijn kinderen was geregistreerd in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en dat de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (WEU) van toepassing was.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door niet onverwijld melding te maken van de verhuizing van zijn kinderen. De WEU was niet van toepassing omdat deze pas in 2008 in werking trad en de ministeriële regeling nog niet was vastgesteld.

Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking of terugvordering. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de toeslag met ingang van 14 augustus 2007 en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag over de periode tot 1 augustus 2013.

Uitkomst: De intrekking van de toeslag en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

14/3948 TW, 14/7192 TW
Datum uitspraak: 23 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 mei 2014, 14/598 (uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
18 november 2014, 14/6842 (uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken.
Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 13 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.
Aan appellant is, in aanvulling op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, met ingang van 10 mei 2006 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. Daarbij heeft het Uwv aangenomen dat appellant gehuwd dan wel samenwonend is, zijn partner geboren is na 31 december 1971 en tot zijn huishouden een eigen kind behoort dat jonger is dan 12 jaar.
1.2.
Nadien is gebleken dat de kinderen van appellant zijn uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en dat vanaf 7 maart 2007 er geen kind jonger dan 12 jaar tot het huishouden van appellant behoort in verband met hun vertrek naar Egypte. Bij besluit van
5 augustus 2013 heeft het Uwv het recht op toeslag ingetrokken met ingang van 7 maart 2007.
1.3.
Appellant heeft tegen het besluit van 5 augustus 2013 bezwaar gemaakt. Hij heeft erop gewezen dat zijn kinderen sinds 14 augustus 2007 in Egypte wonen en een uittreksel van de GBA overgelegd waaruit die datum van 14 augustus 2007 blijkt. Bij besluit van
13 december 2013 (besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de toeslag wordt ingetrokken met ingang van 14 augustus 2007.
1.4.
Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het Uwv de over de periode van 14 augustus 2007 tot 1 augustus 2013 ten onrechte betaalde toeslag van € 43.375,25 van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2014
(besluit 2) ongegrond verklaard.
2. Bij de uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen respectievelijk besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat ten onrechte het recht op toeslag met terugwerkende kracht is ingetrokken en dat ten onrechte is teruggevorderd. Evenals bij de rechtbank heeft hij in hoger beroep aangevoerd dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, omdat deze verplichting niet geldt ten aanzien van bij wettelijk voorschrift aangemerkte authentieke gegevens. De door hem gedane aangifte op 14 augustus 2007 van het vertrek naar het buitenland van zijn drie kinderen alsmede de registratie daarvan in de GBA moeten worden aangemerkt als op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens als bedoeld in de tweede zin van artikel 12 van Pro de TW. Dat de in de derde zin van artikel 12 genoemde Pro ministeriële regeling nog niet is vastgesteld, mag het Uwv niet baten omdat die ministeriële regeling uitsluitend betrekking heeft op de in de laatste zinsnede in de tweede zin genoemde “bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties”. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de periode van intrekking had moeten beperken tot 10 november 2009, omdat het Uwv gelet op de brief van
10 november 2009, waarin hij om toestemming had verzocht voor vakantie naar Egypte voor verblijf bij zijn kinderen, vanaf die datum wist dan wel behoorde te weten dat er in zijn
woon- en leefsituatie verandering had plaatsgevonden.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de uitspraken te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In het geding 14/3948 TW
4.1.
Op grond van artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag of trekt hij dat in als het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 heeft Pro geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag. Op grond van artikel 12 van Pro de TW is degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Bij de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (WEU)
(Stb. 2007, 556) is met ingang van 1 januari 2008 aan artikel 12 van Pro de TW een tweede en derde zin toegevoegd:
“Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uwv kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.”
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat appellant vanaf
14 augustus 2007 geen recht heeft op toeslag omdat vanaf die datum tot zijn huishouden geen kind behoort dat jonger is dan 12 jaar.
4.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant door niet onverwijld mededeling te doen van de verhuizing van zijn minderjarige kinderen naar Egypte met ingang van 14 augustus 2007 de op grond van artikel 12 van Pro de TW op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het vertrek van zijn kinderen naar het buitenland van invloed is op het recht op toeslag. De voorwaarde dat tot zijn huishouden een kind behoort dat jonger is dan 12 jaar is immers in het besluit van 22 juni 2006 tot toekenning van toeslag te lezen. Tevens is in dat besluit vermeld dat appellant wijzigingen in zijn leefvorm en gezinssamenstelling onmiddellijk aan het Uwv door moet geven. Met de rechtbank moet voorts worden geoordeeld dat het beroep van appellant op de WEU en de grammaticale uitleg die appellant daaraan geeft faalt, nu deze wet pas op 1 januari 2008 in werking is getreden en de ministeriële regeling, genoemd in de laatste volzin van artikel 12 van Pro de TW tot op heden niet is vastgesteld. Daarmee volgt reeds uit de tekst van de wet dat de bepaling in de tweede zin van artikel 12 van Pro de TW nog geen betekenis heeft. Zie ook de door de rechtbank in uitspraak 1 genoemde uitspraak van de Raad van 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5633. Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn subsidiaire standpunt. Uit de bewoordingen van zijn brief aan het Uwv van 10 november 2009 blijkt niet dat de kinderen van appellant toen al in Egypte woonden.
4.4.
Omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het Uwv op grond van artikel 11a, eerste lid, van de TW gehouden de toeslag met terugwerkende kracht vanaf 14 augustus 2007 in te trekken. Dringende redenen op grond waarvan het Uwv had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van intrekking van de toeslag zijn niet gesteld of gebleken.
In het geding 14/7192 TW
4.5.
Vast is komen te staan dat over de periode van 14 augustus 2007 tot 1 augustus 2013 de toeslag door het Uwv onverschuldigd aan appellant is betaald. Het Uwv is dan verplicht om tot terugvordering over te gaan, tenzij sprake is van een dringende reden op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk moet afzien van terugvordering.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in beide gedingen geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) J.R. van Ravenstein

AP