ECLI:NL:CRVB:2015:4994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant ontving sinds 5 februari 2010 een loongerelateerde WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 69,13%. Na een nieuw onderzoek stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op 22 april 2013 vast op 30,06% en besloot de uitkering te beëindigen per die datum. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat zijn depressie al in 2010 begon en dat hij onvoldoende kennis van de Nederlandse taal heeft om passende functies te vervullen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat appellant zijn stellingen onvoldoende onderbouwde met medische stukken. De rechtbank vond ook dat het opleidingsniveau en de taalvaardigheid van appellant correct waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren zonder nieuwe feiten of medische stukken aan te dragen. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en bevestigde dat appellant geen recht had op voortzetting van de WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op de WIA-uitkering per 22 april 2013.