Uitspraak
.Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 30 januari 2008 bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning met K, voerde de gemeente Heerhugowaard een uitgebreid onderzoek uit, waaronder dossieronderzoek, getuigenverhoren, waarnemingen en een huisbezoek. Dit leidde tot het besluit van 5 april 2011 om de bijstand per 1 januari 2010 in te trekken en de ten onrechte ontvangen bijstand van €18.207,91 terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat er een gezamenlijke huishouding bestond. De Raad oordeelde dat op grond van objectieve criteria, zoals het feitelijke verblijf van K op het adres, zijn inschrijvingen bij instanties, waarnemingen en verklaringen, sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg.
Appellante had geen objectieve bewijsstukken overgelegd die haar stelling dat K vooral in het buitenland verbleef ondersteunden. De verklaring van appellante zelf en getuigenverklaringen bevestigden de gezamenlijke huishouding. De Raad concludeerde dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag vormden en bevestigde de bestreden uitspraak, waarbij ook de schending van de inlichtingenplicht werd vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.