ECLI:NL:CRVB:2015:532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering op grond van anticumulatie en gerealiseerd verdienvermogen
Appellant ontvangt sinds 1987 een WAO-uitkering, aanvankelijk gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 1995 verrichtte hij werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder en genoot daaruit inkomsten. Het UWV stelde op basis van artikel 44 WAO Pro het feitelijk gerealiseerde verdienvermogen vast en herzag de mate van arbeidsongeschiktheid voor diverse jaren, wat leidde tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen.
Appellant betwistte de herzieningen en terugvorderingen, stellende dat hij voor het leven als 80 tot 100% arbeidsongeschikt zou worden beschouwd en dat verrekening jaarlijks zou plaatsvinden. De Raad oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van het besluit van 11 februari 2002, dat in rechte onaantastbaar is geworden, en dat er geen rechtsgeldige toezeggingen zijn die dit tegenspreken.
De Raad bevestigde dat het UWV de anticumulatiebepaling van artikel 44 WAO Pro correct heeft toegepast, waarbij het gerealiseerde verdienvermogen werd vastgesteld op basis van het resultaat na belastingen, vermeerderd met rentelasten en personeelskosten. De terugvordering over 2008 is terecht en er is geen dringende reden om daarvan af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.