ECLI:NL:CRVB:2015:540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Greebe
- C.C.W. Lange
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken rechtmatig werknemerschap
Appellant was vanaf 2 maart 1998 werkzaam bij een BV en meldde zich op 15 mei 2000 ziek met psychische klachten. Hij vroeg in 2003 een WAO-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij op dat moment niet rechtmatig in Nederland verbleef en dus niet als werknemer verzekerd kon worden beschouwd.
In 2011 kreeg appellant alsnog een verblijfsvergunning en vroeg opnieuw een WAO-uitkering aan met terugwerkende kracht. Het UWV kende een uitkering toe vanaf 28 juni 2011, maar trok deze later in omdat de uitkering ten onrechte was verleend. Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV en oordeelde dat appellant op 14 mei 2001 niet als werknemer in de zin van de WAO kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel en dat het UWV terecht de uitkering introk op grond van artikel 36a van de WAO.
In hoger beroep stelde appellant dat het beleid van het UWV met betrekking tot de Koppelingswet hem toch recht gaf op de uitkering, maar de Raad oordeelde dat appellant zijn verzekeringsrechtelijke positie niet op reguliere wijze had verkregen. De Raad concludeerde dat de intrekking van de WAO-uitkering terecht was en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van rechtmatig werknemerschap op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.