Appellante heeft op 23 augustus 2012 een aanvraag ingediend voor een indicatie voor persoonlijke verzorging en begeleiding op grond van de AWBZ. Deze aanvraag is bij besluit van 6 september 2012 door het CIZ afgewezen. Na bezwaar en medisch advies heeft het CIZ het bezwaar ongegrond verklaard, waarbij het advies van het voormalige College voor zorgverzekeringen (Cvz) werd betrokken. Cvz gaf aan zich niet te kunnen vinden in het voornemen van het CIZ om alsnog een indicatie toe te kennen.
De rechtbank Gelderland heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante stelde in hoger beroep dat een zorgvuldige medische beoordeling ontbrak en dat haar medische en psychische beperkingen haar dagelijkse functioneren negatief beïnvloeden, waardoor zij aangewezen is op verzorging.
De Raad heeft het medisch onderzoek en de besluitvorming als zorgvuldig beoordeeld, waarbij gebruik is gemaakt van geriatrisch onderzoek en huisartsinformatie. Er is geen contra-expertise ingebracht die twijfels zou kunnen doen rijzen over de juistheid van de medische bevindingen. De Raad oordeelt dat de behandeling binnen de Zorgverzekeringswet en het gebruik van hulpmiddelen voorliggend zijn op AWBZ-zorg, en dat het terugkomen op een indicatie na advies van Cvz geen onrechtmatigheid inhoudt.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.