Uitspraak
OVERWEGINGEN
€ 5.921,82 van appellant teruggevorderd en een betaalverplichting opgelegd van
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bijzondere bijstand ontvangen in de vorm van geldleningen en was verplicht deze terug te betalen. Na het niet nakomen van aflossingsverplichtingen legde het college beslag op zijn WAO-uitkering. Appellant verzocht om kwijtschelding van de restschuld, maar het college wees dit af op grond van het gemeentelijk beleid dat geen kwijtschelding toestaat bij beslaglegging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college conform beleid handelde en er geen dringende redenen waren om af te zien van invordering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn en zijn echtgenotes slechte gezondheid en financiële situatie onvoldoende waren meegewogen en dat het college niet adequaat reageerde op zijn verzoek tot opheffing van het beslag.
De Raad oordeelde dat artikel 6.3, zevende lid, van de beleidsregels kwijtschelding uitsluit bij beslaglegging en dat de omstandigheden van appellant geen dringende redenen vormen om hiervan af te wijken. De niet-bindende overweging van de rechtbank over mogelijke betalingsregelingen leidt niet tot vernietiging. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de restschuld wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.