ECLI:NL:CRVB:2015:573

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2015
Publicatiedatum
26 februari 2015
Zaaknummer
14-7209 WWB-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening ontheffing arbeidsinschakelingsverplichtingen WWB

Verzoekster, bijstandontvanger onder de Participatiewet, had ontheffing gekregen van arbeidsinschakelingsverplichtingen tot pensioengerechtigde leeftijd, met de verplichting deel te nemen aan sociale activering of vrijwilligerswerk tot 20 uur per week. Zij stelde dat het medisch advies onzorgvuldig was en dat zij geheel niet kon deelnemen aan een traject.

Zij verzocht om een voorlopige voorziening voor volledige ontheffing van deze verplichtingen. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster haar spoedeisend belang onvoldoende onderbouwde met medische stukken en dat het college geen concreet traject had aangeboden noch de verplichting wilde concretiseren tijdens het hoger beroep.

Daarom oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang was en dat de bodemprocedure kon worden afgewacht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor volledige ontheffing van arbeidsinschakelingsverplichtingen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

14/7209 WWB-VV
Datum uitspraak: 26 februari 2015
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft haar [zoon] (zoon) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2014, 14/2383 (aangevallen uitspraak).
Tevens heeft de zoon namens verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door de zoon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.E.C. Botman.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoekster ontvangt bijstand voorheen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), thans ingevolge de - Participatiewet (Paw), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het college verzoekster tot 5 april 2017, zijnde de datum waarop verzoekster de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, ontheffing verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de WWB. Bij afzonderlijk besluit van 21 maart 2013 heeft het college verzoekster meegedeeld dat zij in staat wordt geacht deel te kunnen nemen aan een traject richting sociale activering of een traject richting vrijwilligerswerk. Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op een op
28 februari 2013 uitgebracht medisch en arbeidskundig advies van Aob Compaz. In dat advies is geconcludeerd dat verzoekster structurele functionele beperkingen heeft en met inachtneming hiervan maximaal 20 uur per week (na opbouw van uren) kan deelnemen een traject.
1.3.
Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van
21 maart 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2013 ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat het medisch advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Zij is in het geheel niet in staat deel te nemen aan een traject. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt ertoe dat haar een volledige ontheffing van alle verplichtingen, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, thans Paw, wordt verleend.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat er een reële kans bestaat dat haar gezondheid in gevaar komt indien geen ontheffing wordt verleend van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Daarbij zijn volgens verzoekster de gevolgen onomkeerbaar.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoekster het onder 4.2 vermelde standpunt niet met medische stukken, dan wel anderszins, heeft onderbouwd. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat het college na het bestreden besluit geen concrete voorziening aan verzoekster heeft aangeboden, en evenmin bepaald heeft in welke richting een aan te bieden traject zal gaan. Ter zitting heeft het college verklaard dat het hangende het hoger beroep evenmin voornemens is de opgelegde verplichting te concretiseren. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat wat verzoekster heeft aangevoerd thans geen grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.
4.4.
Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2015.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C. Moustaine

HD