Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft zich sinds 2005 meerdere malen arbeidsongeschikt gemeld, met klachten waaronder rugpijn. In 2010 stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op waarin beperkingen werden vastgesteld. Het UWV kende haar aanvankelijk een WIA-uitkering toe, maar stelde later dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde verdere uitkeringen.
In 2011 meldde appellante toegenomen arbeidsongeschiktheid wegens rugklachten met uitstraling naar het linkerbeen. Het UWV stelde dat deze klachten een andere ziekteoorzaak hadden dan eerder en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV niet heeft aangetoond dat de rugklachten van appellante een andere ziekteoorzaak hebben dan de beperkingen vastgesteld in 2010. De Raad wijst erop dat de FML rekening hield met rugklachten en dat medische stukken en verklaringen van de huisarts wijzen op klachten die al vóór 2011 bestonden. De motivering van het besluit van het UWV is ondeugdelijk en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
De Raad draagt het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het UWV krijgt opdracht een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.