ECLI:NL:CRVB:2015:611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- E.C.R. Schut
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde zwarte hovenierswerkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand vanaf 2000, aanvankelijk op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen en later volgens de WWB. Naar aanleiding van een vermoeden van zwartwerken in tuinonderhoud werd een uitgebreid opsporingsonderzoek ingesteld, waarbij onder meer huisbezoeken, verhoren, getuigenverklaringen en observaties plaatsvonden. Het college trok de bijstand in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten voerden in hoger beroep onder meer aan dat het college ten onrechte geen melding had gedaan bij het College Bescherming Persoonsgegevens voorafgaand aan de observaties en dat de werkzaamheden in de wintermaanden minimaal waren, zodat de inkomsten geschat hadden moeten worden. Tevens stelden zij dat een deel van de vordering verjaard was.
De Raad oordeelde dat er voldoende bewijs was dat appellant doorlopend werkzaamheden verrichtte, ook in de winter, en dat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormde voor intrekking van de bijstand. Omdat appellanten geen administratie bijhielden, konden zij niet aantonen recht te hebben op bijstand. De verjaringstermijn begon pas na afronding van het opsporingsonderzoek, waardoor de vordering niet verjaard was. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde zwarte werkzaamheden wordt bevestigd.