ECLI:NL:CRVB:2015:615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- E.C.R. Schut
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding deels vernietigd
Appellant ontving bijstand als alleenstaande sinds 2005. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand in vanaf 27 oktober 2006 wegens vermoedens van gezamenlijke huishouding met appellante op een ander adres, en vorderde de kosten terug.
De sociale recherche voerde uitgebreid onderzoek uit, inclusief observaties, verhoren en dossieronderzoek. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten dat er gedurende de gehele periode sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat appellant vanaf 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010 zijn hoofdverblijf bij appellante had. Wel was vanaf 1 januari 2010 sprake van gezamenlijke huishouding, wat werd bevestigd door verklaringen, observaties en waterverbruik. Het college mocht daarom de bijstand vanaf die datum intrekken en kosten terugvorderen.
De Raad vernietigde de intrekking en terugvordering voor de periode vóór 1 januari 2010 en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen over de terugvordering voor die periode. Tevens werden de proceskosten aan appellanten toegekend.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering zijn vernietigd voor de periode 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010 en bevestigd vanaf 1 januari 2010.