Uitspraak
19 maart 2013, 12/4074 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
9 maart 2015.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is sinds 1 maart 2010 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt voor zijn werk als schoonmaker. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering per 5 maart 2012. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding zag om het oorspronkelijke oordeel te wijzigen.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig te werk is gegaan en dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling. Appellant heeft zijn stelling dat zijn beperkingen worden onderschat niet met objectieve medische gegevens kunnen onderbouwen.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt over onderschatting van zijn fysieke en psychische problemen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft echter de overwegingen van de rechtbank en het UWV. Het ingediende rapport van psychiater Loen leidt niet tot een ander oordeel omdat het niet betrekking heeft op de relevante datum. De arbeidsdeskundige heeft bovendien overtuigend aangetoond dat appellant de werkzaamheden van geselecteerde functies kan verrichten.
Gezien deze overwegingen slaagt het hoger beroep niet en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.