ECLI:NL:CRVB:2015:778
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant woont sinds 2006 met zijn echtgenote in Duitsland en ontvangt een AOW-pensioen uit Nederland. Het Zorginstituut stelde buitenlandbijdragen vast voor de jaren 2007 tot en met 2010 voor de zorg van zijn echtgenote, die als meeverzekerd gezinslid recht heeft op zorg in Duitsland op grond van Europese regelgeving en de Zorgverzekeringswet.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de termijn van zes maanden in de Regeling zorgverzekering geen verjaringstermijn is en dat het Zorginstituut appellant voldoende compenseerde voor trage besluitvorming door geen rente te heffen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op basis van communicatie met het Zorginstituut en AOK mocht vertrouwen dat hij geen buitenlandbijdragen hoefde te betalen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hiervoor geen sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen, omdat geen toezeggingen van het Zorginstituut konden worden aangetoond en uitlatingen van AOK niet aan het Zorginstituut konden worden toegerekend.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de buitenlandbijdragen blijven verschuldigd.