ECLI:NL:CRVB:2015:790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.C.F. Talman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van maatregel verlaging bijstand ondanks doorschuiven uitvoering
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg bij besluit van het college een maatregel opgelegd waarbij haar bijstand met 100% werd verlaagd wegens het verliezen van haar baan door eigen toedoen. Hoewel het college de bijstand in januari 2013 ongewijzigd uitbetaalde, werd de verlaging in februari 2013 alsnog toegepast.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en de uitkeringsspecificatie, maar deze bezwaren werden door het college ongegrond verklaard en niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging.
In hoger beroep stond alleen het oordeel over het doorschuiven van de uitvoering van de maatregel centraal. De Raad oordeelde dat het doorschuiven met een maand aanvaardbaar was, dat noch de WWB noch de gemeentelijke verordening dit verbiedt, en dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook was geen nader onderzoek vereist voor de latere uitvoering.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen bij appellante hadden gewekt. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.