ECLI:NL:CRVB:2015:806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten woninginrichting na verhuizing
Appellant ontvangt sinds 1 juli 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 8 november 2012 vroeg hij bijzondere bijstand aan voor de kosten van de inrichting van zijn nieuwe woning, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit af. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard, waarbij het college stelde dat de kosten tot de algemeen noodzakelijke kosten behoren en uit het inkomen moeten worden betaald.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De rechtbank overwoog dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was, onder meer omdat hij geen bewijsstukken over de staat van zijn oude woning of een urgentieverklaring had overgelegd. De verhuizing werd gezien als een eigen keuze. Volgens vaste rechtspraak behoren de kosten van woninginrichting tot de periodiek of incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in principe uit het inkomen moeten worden bestreden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verhuizing noodzakelijk was en dat hij niet kon reserveren voor de kosten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank konden weerleggen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door P.W. van Straalen, in aanwezigheid van griffier M.S. Boomhouwer, op 17 maart 2015.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor kosten woninginrichting wordt afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.