ECLI:NL:CRVB:2015:860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor verdragsgerechtigde in hoger beroep
Appellant, woonachtig in België en pensioengerechtigde, is door het Zorginstituut per 1 januari 2006 als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Verordening EEG nr. 1408/71. Hierdoor heeft hij recht op zorg in België, ten laste van Nederland, waarvoor een buitenlandbijdrage verschuldigd is.
Het Zorginstituut stelde bij besluiten van april 2012 de definitieve jaarafrekeningen voor 2006 en 2007 vast, waarop appellant bezwaar maakte. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de vordering tot betaling niet verjaard was, het recht op zorg rechtstreeks uit EU-recht voortvloeit en dat verrekening van medische kosten niet mogelijk was.
Appellant stelde hoger beroep in, maar bracht geen nieuwe gronden naar voren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verwierp het beroep. Ook de stelling dat de rechtbank niet over de invordering had beslist faalde, mede omdat een betalingsregeling bestond.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier K. de Jong, op 4 maart 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de buitenlandbijdrage blijft verschuldigd.