ECLI:NL:CRVB:2015:887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 2 februari 2012
Appellant, laatst werkzaam als sorteerder, meldde zich in februari 2010 ziek vanwege luchtweg- en rugklachten. Het UWV stelde bij besluit van 19 december 2011 vast dat appellant per 2 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering. Dit besluit werd in bezwaar en door de rechtbank bevestigd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten en beperkingen onvoldoende werden meegewogen en dat hij een urenbeperking behoorde te krijgen. Tevens wees hij op de latere toekenning van een IVA-uitkering per 16 januari 2014, stellende dat zijn situatie toen gelijk was aan die in 2012.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep correct was, waarbij geen ernstige afwijkingen aan rug of longen waren vastgesteld per 2 februari 2012. De latere toename van klachten leidde pas na die datum tot een IVA-uitkering. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de geduide functies passend waren.
Gelet hierop werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering per 2 februari 2012 bevestigd.