ECLI:NL:CRVB:2015:894

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2015
Publicatiedatum
25 maart 2015
Zaaknummer
13-6039 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering persoonsgebonden budget huishoudelijke hulp

Appellante ontving in 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Zij verklaarde dat haar neef, S., deze hulp had verleend. Het college herzag het toegekende pgb en vorderde een bedrag terug, omdat uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat S. in december 2010 naar Suriname was geëmigreerd, waardoor het onwaarschijnlijk was dat hij in 2011 hulp had verleend.

Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij met bankafschriften, kwitanties en een verantwoordingsformulier aannemelijk had gemaakt dat S. wel degelijk de hulp had verleend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante niet had aangetoond dat S. daadwerkelijk de zorg had verleend en zij niet had voldaan aan haar medewerkingsverplichting.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs vormden, omdat deze ook zonder daadwerkelijke hulp verleend konden zijn. Het feit dat S. was uitgeschreven uit het GBA kon appellante niet worden tegengeworpen, maar dit veranderde niets aan het gebrek aan bewijs.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de herziening en terugvordering van het pgb. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van het persoonsgebonden budget wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke hulpverlening.

Uitspraak

13/6039 WMO
Datum uitspraak: 25 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 oktober 2013, 12/5070 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats](appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Voor appellante is verschenen mr. De Gruijl. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het college heeft appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning over 2011 een persoonsgebonden budget toegekend voor huishoudelijke hulp. Op 29 maart 2012 heeft het college het formulier ‘PGB verantwoording 2011’ van appellante ontvangen. Appellante heeft daarbij te kennen gegeven dat haar neef, [S.], haar in 2011 huishoudelijke hulp heeft verleend.
1.2.
Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het college het aan appellante toegekende pgb over 2011 herzien naar € 0,- en een bedrag van € 3.469,44 van haar teruggevorderd. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is gebleken dat [S.] op 27 december 2010 naar Suriname is geëmigreerd. Daarom is het niet aannemelijk dat hij in 2011 huishoudelijke hulp heeft verleend aan appellante. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 november 2012.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college aan de registratie in de GBA van de emigratie van [S.] de gevolgtrekking heeft mogen verbinden dat niet aannemelijk is dat hij in 2011 in Nederland de door appellante gestelde zorg heeft verleend. Gelet op de op appellante rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011 was het aan haar om aannemelijk te maken dat [S.] toch de zorg heeft verleend. Daarin is appellante niet geslaagd.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij met de door haar overgelegde bankafschriften, kwitanties en het verantwoordingsformulier aannemelijk heeft gemaakt dat [S.] wel degelijk aan haar huishoudelijke hulp heeft verleend over 2011. Het kan verder niet aan haar worden tegengeworpen dat [S.] zich heeft uitgeschreven uit het GBA; appellante had niet de plicht om maandelijks het GBA te controleren.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De door appellante overgelegde gegevens zijn niet voldoende om daaruit af te leiden dat [S.] feitelijk huishoudelijke hulp aan haar heeft verleend in 2011. Deze gegevens kunnen namelijk ook worden opgesteld zonder dat [S.] de hulp daadwerkelijk heeft verleend. Verder is het niet zo, dat aan appellant wordt tegen geworpen dat zij het GBA niet heeft gecontroleerd.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat de hoger beroepsgronden niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter, in tegenwoordigheid van
G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) G.J. van Gendt

NK