ECLI:NL:CRVB:2015:894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering persoonsgebonden budget huishoudelijke hulp
Appellante ontving in 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Zij verklaarde dat haar neef, S., deze hulp had verleend. Het college herzag het toegekende pgb en vorderde een bedrag terug, omdat uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat S. in december 2010 naar Suriname was geëmigreerd, waardoor het onwaarschijnlijk was dat hij in 2011 hulp had verleend.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij met bankafschriften, kwitanties en een verantwoordingsformulier aannemelijk had gemaakt dat S. wel degelijk de hulp had verleend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante niet had aangetoond dat S. daadwerkelijk de zorg had verleend en zij niet had voldaan aan haar medewerkingsverplichting.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs vormden, omdat deze ook zonder daadwerkelijke hulp verleend konden zijn. Het feit dat S. was uitgeschreven uit het GBA kon appellante niet worden tegengeworpen, maar dit veranderde niets aan het gebrek aan bewijs.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de herziening en terugvordering van het pgb. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van het persoonsgebonden budget wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke hulpverlening.