Werkneemster was sinds 2006 wegens ziekte gedeeltelijk arbeidsongeschikt en hervatte passende werkzaamheden. Na een verslechtering van haar gezondheid in 2010 stopte zij met werken en meldde zich ziek. Appellante betaalde haar tot maart 2012 loon door. Het UWV kende vanaf 17 maart 2010 een IVA-uitkering toe, waarbij het 70% van het door appellante doorbetaalde loon in mindering bracht op het WIA-maandloon.
Appellante maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat de IVA-uitkering in mindering moet komen op het door te betalen loon, niet andersom. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat het doorbetaalde loon als inkomen uit arbeid werd aangemerkt. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV ten onrechte dit bedrag in mindering bracht, omdat er geen nieuwe loondoorbetalingsverplichting bestond na de eerste 104 weken ziekte.
De Raad oordeelde dat het UWV onterecht 70% van het doorbetaalde loon in mindering bracht, omdat er geen sprake was van een nieuwe loondoorbetalingsverplichting na 2 juli 2008. Het loon was geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, maar uit vroegere dienstbetrekking, en mocht daarom niet worden verrekend met de IVA-uitkering. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herstelde de bruto-uitkering op € 1.456,71 per maand, met een maandelijkse betaling van € 1.348,81 bruto. Tevens werden de proceskosten aan appellante toegewezen.