ECLI:NL:CRVB:2015:924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, viel in april 2010 uit wegens rug- en knieklachten. Het UWV stelde bij besluit van 10 mei 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit was gebaseerd op een medisch rapport van een verzekeringsarts en een orthopedisch chirurg. Na bezwaar en een aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek bleef het besluit ongewijzigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had geen aanleiding gezien om aanvullende informatie bij de behandelend sector op te vragen, omdat geen sprake was van een behandeling met beduidend effect op arbeidsmogelijkheden of een afwijkend standpunt van de behandelend sector. De beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werden als voldoende en juist vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over de medische beoordeling en geschiktheid voor de geduide functies. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en concludeerde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en deugdelijke grondslag had. Er was geen nieuwe medische informatie die aanleiding gaf tot heroverweging. Ook de stelling dat taalbeheersing een medisch gevolg van ziekte zou zijn, werd verworpen.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.