ECLI:NL:CRVB:2015:967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd onderzocht vanwege vermoedens dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kinderen, S. De sociale recherche voerde een themacontrole uit, waarbij onder meer waarnemingen en een verhoor plaatsvonden. Het college trok de bijstand in over de periode 1 januari 2011 tot en met 15 juni 2012 en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat het besluit tot intrekking over de periode 1 januari 2011 tot 16 mei 2012 onvoldoende feitelijke grondslag had, omdat de verklaring van appellante onvoldoende concreet was om te concluderen dat S zijn hoofdverblijf bij haar had.
Voor de periode van 16 mei 2012 tot 15 juni 2012 was er wel voldoende bewijs door waarnemingen en verklaringen dat S vrijwel permanent bij appellante verbleef. Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank voor het eerste deel van de periode en herroept het eerdere besluit. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over 1 januari 2011 tot 16 mei 2012 wordt vernietigd en het eerdere besluit herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag.