ECLI:NL:CRVB:2015:973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag IOAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, voormalig zelfstandig ondernemer, vroeg in 2008 en opnieuw in 2011 een IOAZ-uitkering aan. De eerste aanvraag werd afgewezen omdat appellant ten tijde van bedrijfsbeëindiging jonger was dan 55 jaar, een vereiste voor de uitkering na wetswijziging in 2006. De tweede aanvraag werd door het college eveneens afgewezen, met verwijzing naar het eerdere besluit en het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aanvraag van 2011 een herhaling is van de aanvraag uit 2008 en dat op herhaalde aanvragen artikel 4:6 Awb Pro van toepassing is. Dit artikel vereist dat de aanvrager nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanvoert om een nieuwe beoordeling te rechtvaardigen. Appellant bracht geen nieuwe feiten aan; het overgelegde besluit uit 1992 was al bekend bij de eerdere aanvraag. Ook het feit dat appellant inmiddels ouder dan 55 is, is niet relevant omdat het gaat om de leeftijd bij bedrijfsbeëindiging.
Verder stelde appellant dat het college een dwangsom verschuldigd was wegens te late beslissing, maar de Raad oordeelde dat het college tijdig heeft beslist na ingebrekestelling. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een andere beslissing rechtvaardigden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag IOAZ-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.