Appellante ontving vanaf 27 oktober 2011 algemene en bijzondere bijstand. Na het starten van werk in februari 2012 stelde het college een onderzoek in waaruit bleek dat appellante twee bankrekeningen en inkomsten uit werk niet had opgegeven. Ondanks herhaalde verzoeken leverde zij de gevraagde bankafschriften en loonstroken niet aan.
Het college trok daarom bij besluit van 16 augustus 2012 de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de gemaakte kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij alle stukken had overgelegd en dat de bankrekening al in 2009 was gesloten. Ook voerde zij willekeur en een tekortschietende zorgplicht aan.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door niet tijdig en volledig de gevraagde gegevens te verstrekken. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en kosten terug te vorderen. De stellingen over willekeur en zorgplicht waren onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd dan ook verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.