ECLI:NL:CRVB:2015:992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bezwaar en hoger beroep inzake terugvordering bijstand en intrekking besluit
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep een uitspraak gedaan over een geschil betreffende de terugvordering van bijstand en de intrekking van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had voor het standpunt dat appellant werkzaamheden had verricht over de gehele periode van 1 april 2007 tot en met 15 december 2011, werd het college opgedragen het besluit van 23 april 2012 te herstellen.
Het college nam daarop een aanvullend besluit (bestreden besluit 2) waarbij het recht op bijstand werd hersteld voor de periode van 1 april 2007 tot en met 31 oktober 2011 en van 1 december 2011 tot en met 15 december 2011, met een aangepaste terugvordering van € 1.319,85. Tevens werden kosten van rechtsbijstand tot € 974,- vergoed. Appellanten erkenden dat met dit besluit aan hun belang tegemoet was gekomen, maar hielden vast aan de voortzetting van de procedure.
De Raad verklaarde het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk, vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit van 2012 gegrond en vernietigde dat besluit voor zover het de intrekking en terugvordering betrof, met uitzondering van november 2011. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond, met vernietiging van het eerdere besluit en veroordeling van het college in proceskosten.