ECLI:NL:CRVB:2016:103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering en terugvordering wegens woonsituatie niet bewezen
Betrokkene ontving studiefinanciering voor een uitwonende student over de periode juni 2012 tot en met oktober 2013. Na onderzoek door controleurs werd betrokkene per 1 juni 2012 als thuiswonend aangemerkt en werd een bedrag van €3.283,78 teruggevorderd. De rechtbank had het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard voor de periode 1 juni tot 8 oktober 2013, maar de Centrale Raad vernietigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat betrokkene niet het onomstotelijke bewijs heeft geleverd dat hij in de betreffende periode op het adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woonde. De verklaringen van de hoofdbewoner en diens dochter, alsmede inconsistenties in de verklaringen van betrokkene zelf, ondermijnen zijn stelling. Betrokkene overhandigde betalingsbewijzen en andere documenten, maar deze zijn onvoldoende overtuigend.
De Raad volgt het standpunt van appellant dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, Wsf 2000 niet kon worden weerlegd. De herziening en terugvordering blijven daarom in stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de Minister wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering blijven in stand.