ECLI:NL:CRVB:2016:1047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.W.H.I. Korte
- A.M. Overbeeke
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-melding van erfvermogen en onduidelijke financiële positie
Appellant ontving bijstand sinds februari 2010 na een WW-uitkering. Het college startte een onderzoek naar vermogen in het buitenland nadat bleek dat appellant mede-eigenaar was van woningen in Portugal, geërfd van zijn vader. Appellant meldde niet alle relevante informatie over dit erfgoed en de verkoopopbrengsten.
Het college trok de bijstand per 1 februari 2014 in wegens schending van de inlichtingenplicht, omdat appellant onvoldoende en niet-verifieerbare gegevens over zijn erfdeel en de besteding daarvan overlegde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn vermogen al op was bij de aanvraag en dat hij geen bankrekeningen meer had, maar kon dit niet met objectieve bewijzen onderbouwen. De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand introk omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder volledige en verifieerbare informatie.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak bevestigt dat het niet nakomen van de inlichtingenplicht een geldige grond is voor intrekking van bijstand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege schending van de inlichtingenplicht en onvoldoende bewijs van recht op bijstand.