ECLI:NL:CRVB:2016:1056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding en oververmogen
Appellant ontving bijstand vanaf 2005, met een onderbreking in 2012, en stond ingeschreven op een adres waar ook zijn ex-partner B woonde. Het college beëindigde en reviseerde de bijstand op grond van een vermoeden van gezamenlijke huishouding en verzwegen vermogen, na een onderzoek door de sociale recherche. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat voldoende bewijs was voor gezamenlijke huishouding en het niet melden daarvan.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de verklaringen van getuigen en andere onderzoeksbevindingen onvoldoende zijn om aan te nemen dat appellant zijn hoofdverblijf bij B had en er sprake was van gezamenlijke huishouding. Het college heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Wel is vastgesteld dat appellant beschikte over vermogen boven de vermogensgrens, waardoor hij geen recht had op bijstand.
De Raad bevestigt daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand aan appellant op grond van oververmogen, maar vernietigt de terugvordering van de bijstand die aan B is verleend mede van appellant wegens gebrek aan bewijs gezamenlijke huishouding. Tevens veroordeelt de Raad het college in de kosten van appellant.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand bevestigd wegens oververmogen, maar medeterugvordering van bijstand aan ex-partner vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding.