ECLI:NL:CRVB:2016:1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende medische grondslag
Appellante, werkzaam als mantelzorgster, ontving een WW-uitkering sinds december 2012 en meldde zich in december 2013 ziek met diverse lichamelijke klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV werd vastgesteld dat zij vanaf 27 januari 2014 weer arbeidsgeschikt was, waarna de Ziektewet-uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond op basis van een medisch rapport waarin werd bevestigd dat de klachten al lang bestonden en niet werden behandeld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het standpunt van appellante onvoldoende onderbouwd was met nieuwe medische informatie.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over haar arbeidsongeschiktheid, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.