Uitspraak
20 november 2014, 14/3176 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant had een studieschuld opgebouwd door studiefinanciering onder de Wet studiefinanciering 2000. Na het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), waarbij een achterstallige schuld was meegenomen, werd het inningstraject van de schuld hervat met een bericht terugbetalen van 6 januari 2014. Appellant maakte bezwaar tegen dit bericht, stellende dat er geen schuld meer zou bestaan.
De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bericht geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het bericht geen zelfstandige rechtsgevolgen had en dat de schuld reeds eerder was vastgesteld. De rechtbank wees ook op artikel 299a van de Faillissementswet, dat studieschulden niet worden kwijtgescholden in de schuldsanering, behalve achterstallige schulden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij op grond van mededelingen in de WSNP-rechtszaak mocht aannemen dat de rentedragende lening was meegenomen. De Raad oordeelde echter dat het bericht van 6 januari 2014 geen nieuwe rechtsgevolgen schept en dat de minister niet verplicht was inhoudelijk op het bezwaar in te gaan. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees appellant op mogelijkheden tot overleg met de deurwaarder en verzoeken om draagkrachtmeting of aflosvrije periode.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het bericht terugbetalen studieschuld wordt niet-ontvankelijk verklaard.