ECLI:NL:CRVB:2016:1136

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2016
Publicatiedatum
30 maart 2016
Zaaknummer
14/5954 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen herziening tegemoetkoming scholieren wegens nationaliteitseis

Appellante, met de Guinese nationaliteit, ontving een tegemoetkoming scholieren op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. De minister herzag deze toekenning omdat appellante niet voldeed aan de nationaliteitseis en vorderde het reeds uitbetaalde bedrag terug. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit bezwaar werd door de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank oordeelde dat de medische verklaring die appellante overlegde onvoldoende inzicht gaf in de aard en ernst van haar psychiatrische problematiek gedurende de relevante periode, en dat niet aannemelijk was dat zij niet in staat was hulp te vragen. Appellante stelde in hoger beroep dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een afdoende medische verklaring en voerde inhoudelijke gronden aan over haar recht op de tegemoetkoming.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar niet ontvankelijk was vanwege de termijnoverschrijding. De medische verklaringen in hoger beroep deden hieraan niets af. Daarom kwam de Raad niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding zonder voldoende medische onderbouwing.

Uitspraak

14/5954 WSF
Datum uitspraak: 23 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
17 september 2014, 14/1276 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, die ten tijde hier van belang de Guinese nationaliteit had, heeft op haar verzoek een tegemoetkoming scholieren ontvangen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. De toekenning is neergelegd in een besluit van
29 november 2012.
1.2.
De minister heeft de in 1.1 bedoelde toekenning herzien omdat hem was gebleken dat appellante niet voldeed aan de nationaliteitseis. Het aan appellante tot aan het moment van de herziening uitbetaalde bedrag is daarbij van haar teruggevorderd. De herziening en terugvordering zijn neergelegd in een besluit van 1 mei 2013.
1.3.
Namens appellante is tegen het in 1.2 genoemde besluit bezwaar gemaakt op
20 september 2013.
1.4.
De minister heeft appellante bevraagd over de termijnoverschrijding, waarop appellante heeft gereageerd, onder meer door inzending van een verklaring van een psychiater bij wie zij onder behandeling stond.
1.5.
Bij besluit van 31 januari 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het bestreden besluit alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat in de door appellante overgelegde verklaring van 24 oktober 2013 van haar behandelend arts en maatschappelijk werkster vermelde conclusie dat appellante gedurende de periode van 1 mei tot en met
20 september 2013 niet in staat was haar belangen te behartigen of daarvoor hulp te zoeken, niet wordt gedragen door de inhoud van die verklaring. Hoewel de verklaring is opgesteld en ondertekend door de behandelend arts van appellante en daarin is weergegeven dat zij kampt met psychiatrische problematiek, is niet inzichtelijk gemaakt wat de aard en de ernst van de problematiek was gedurende de periode van belang. De rechtbank heeft de stelling dat de medische problematiek van appellante van dien aard was, dat zij in de periode van belang niet in staat was hulp te vragen, onvoldoende geacht. Het gegeven dat appellante zich enkel met ondersteuning door hulpverleners staande kon houden, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat zij niet in staat was hulp in te roepen. Daargelaten het antwoord op de vraag of de opname van appellante voor haar psychiatrische problematiek in een kliniek tot een andere conclusie zou leiden, is komen vast te staan dat deze opname heeft plaatsgevonden in oktober 2013, dus na het bezwaar. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat appellante niet in staat was hulp in te roepen, bijvoorbeeld van de bij haar ondersteuning betrokkenen personen. Dat zij dit niet heeft gedaan, of dat door de betrokken personen de afweging is gemaakt aan haar medische problematiek, adequate opvang en haar verblijfssituatie voorrang te geven, dient voor risico van appellante te blijven.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaar verschoonbaar moet worden geacht, omdat de behandelend psychiater een afdoende medische verklaring daarvoor heeft afgegeven. Voorts zijn inhoudelijke gronden aangevoerd waarmee appellante betoogt dat zij ofwel recht had op de haar toegekende tegemoetkoming, ofwel, indien ervan zou worden uitgegaan dat zij geen recht had op de tegemoetkoming, dat deze in redelijkheid niet van haar kon worden teruggevorderd.
3.2.
De minister heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat wat is aangevoerd in het kader van de beoordeling van de termijnoverschrijding niet kon leiden tot een ontvankelijk te achten bezwaar. Terecht heeft de rechtbank het bezwaar daarom alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid. De in hoger beroep overgelegde medische verklaringen, die weliswaar niet speciaal in het geding zijn gebracht ten behoeve van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar, maar die daarop uiteraard wel een bepaald licht (kunnen) werpen, doen aan het oordeel van de rechtbank niets af. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden.
4.2.
Uit wat is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

AP