ECLI:NL:CRVB:2016:1181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens voorliggende voorziening
Appellant heeft op 11 november 2013 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een orthodontische behandeling. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af op grond dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een toereikende en passende voorliggende voorziening is, waardoor bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) niet toekomt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door in andere gevallen wel bijzondere bijstand voor orthodontiekosten toe te kennen. Het college stelde dat betalingen op de door appellant overgelegde lijsten betrekking hadden op toekenningen die vóór 1 april 2011 waren gedaan, toen nog een buitenwettelijk begunstigend beleid gold.
De Raad oordeelde dat de Zvw inderdaad als voorliggende voorziening geldt en dat het college niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de noodzaak van de behandeling. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn situatie gelijk was aan de gevallen waarin bijzondere bijstand was toegekend. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt bevestigd omdat de Zorgverzekeringswet als toereikende voorliggende voorziening geldt en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.