Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die sinds 2005 uitviel wegens rug- en schouderklachten, vroeg om herkeuring van zijn WIA-uitkering vanwege toegenomen klachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zijn beperkingen waren toegenomen, maar dat hij toch geschikt was voor passende functies, waardoor hij geen recht meer had op een WIA-uitkering.
De rechtbank onderschreef het besluit van het UWV en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met voldoende onderbouwing van de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank vond het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd en verwierp de stellingen van appellant over onvoldoende aandacht voor zijn dagverhaal.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep stelde zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen.