Uitspraak
22 december 2014, 14/1848 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als operationeel assistent en later in de horeca, waarna hij een WIA-uitkering aanvroeg. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af omdat appellant arbeidsongeschikt raakte buiten de verzekeringsperiode. Na bezwaar werd de eerste arbeidsongeschiktheidsdag gelijkgesteld met een dag waarop appellant nog verzekerd was.
Medisch en arbeidskundig onderzoek leidde tot de conclusie dat appellant per einde wachttijd niet duurzaam arbeidsongeschikt was. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. Appellant stelde in beroep dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is vanwege ernstige psychische en cognitieve beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV op juiste medische gronden handelde. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, stellende dat de medische rapporten aantonen dat appellant per datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De Raad nam mee dat er sprake was van verbetering en dat de problematiek behandelbaar is.
Het verzoek om toekenning van een IVA-uitkering en om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank Limburg werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een IVA-uitkering wordt afgewezen.