ECLI:NL:CRVB:2016:1266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opschorting, intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht over woning in Turkije
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden onderzocht vanwege een woning in Turkije die zij samen met de broer van appellante hadden verkregen en verkocht. Het college schortte de bijstand op en trok deze in wegens het niet verstrekken van bewijsstukken over de verkoop en eigendom van de woning, en vorderde de bijstand over de periode 7 januari tot 30 juni 2013 terug.
De rechtbank vernietigde de intrekking en terugvordering over deze periode wegens onvoldoende onderbouwing van schending van de inlichtingenplicht, maar verklaarde het beroep tegen de opschorting en intrekking per 1 juli 2013 ongegrond. Appellanten stelden dat zij geen geld hadden ontvangen uit de verkoop en dat zij niet over andere stukken beschikten.
De Raad oordeelde dat appellanten verwijtbaar hebben gehandeld door niet binnen de hersteltermijnen de gevraagde bewijsstukken te leveren, ondanks hun betrokkenheid bij de verkoop en contacten met een Turkse advocaat. De onderzoeksrapportage van het Bureau Attaché werd als voldoende betrouwbaar beschouwd. De Raad bevestigde daarom de opschorting en intrekking per 1 juli 2013, maar vernietigde de uitspraak van de rechtbank over de periode daarvoor en verklaarde het beroep van het college ongegrond.
De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand opschortte en introk wegens schending van de inlichtingenplicht, maar dat de terugvordering over de periode 7 januari tot 30 juni 2013 onvoldoende was onderbouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De opschorting en intrekking van de bijstand per 1 juli 2013 worden bevestigd, maar de intrekking en terugvordering over de periode 7 januari tot 30 juni 2013 worden vernietigd.