ECLI:NL:CRVB:2016:1269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling buiten behandeling stellen bijstandaanvraag wegens ontbrekende bankafschriften
Appellanten dienden op 31 maart 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college verzocht hen bij brief van 11 april 2014 om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de laatste drie maanden, met een hersteltermijn tot 25 april 2014. Omdat appellanten niet alle gevraagde gegevens, met name de bankafschriften van appellante, binnen deze termijn aanleverden, stelde het college de aanvraag op 2 mei 2014 buiten behandeling.
Appellanten stelden dat de brief van 11 april 2014 geen besluit was en dat het college daarom een tweede hersteltermijn had moeten verlenen volgens de beleidsvoorschriften. De Raad oordeelde echter dat de brief wel een procedurebesluit was en dat het ontbreken van bankafschriften geen kleinigheid betrof, omdat financiële gegevens essentieel zijn voor de beoordeling van de bijstandaanvraag.
Vervolgens vroeg appellanten opnieuw bijstand aan met ingang van 31 maart 2014, maar het college kende bijstand toe vanaf 15 mei 2014. Na bezwaar werd dit teruggebracht naar 9 mei 2014. De Raad bevestigde de rechtbankuitspraak dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen vóór de datum van de nieuwe aanvraag.
De Raad concludeerde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en dat appellanten geen recht hadden op eerdere bijstand dan vanaf 9 mei 2014. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de bijstandaanvraag terecht buiten behandeling stelde en geen eerdere bijstand hoefde toe te kennen.