ECLI:NL:CRVB:2016:1272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage op grond van Zorgverzekeringswet voor in Ierland woonachtige pensioengerechtigde
Appellante, die van 2006 tot zijn overlijden in 2013 in Ierland woonde en daar pensioen ontving, werd door het Zorginstituut Nederland als verdragsgerechtigde aangemerkt en over 2012 een buitenlandbijdrage opgelegd op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze bijdrage ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de conflictregels van Verordening (EG) nr. 883/2004, met name artikel 25, van toepassing zijn en dat appellante daarom bijdrageplichtig is. Appellante stelde in hoger beroep dat hij recht had op een prevalerend recht in Ierland, waardoor artikel 11 lid 3 sub e van Pro Vo 883/2004 van toepassing zou zijn en hij geen bijdrage verschuldigd zou zijn.
De Raad oordeelde dat de situatie van appellante valt onder artikel 25 van Pro Vo 883/2004 en dat het recht op verstrekkingen in Ierland niet afhankelijk is van voorwaarden inzake verzekering of arbeid. Omdat appellante geen wettelijke uitkering of inkomsten in Ierland ontving die recht gaven op verstrekkingen, is er geen sprake van een prevalerend recht. De door het Ierse bevoegde orgaan afgegeven E121-verklaring bevestigt dit.
De Raad zag geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante over 2012 een buitenlandbijdrage op grond van de Zvw verschuldigd is.