ECLI:NL:CRVB:2016:1307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijzondere bijstand wegens ontbreken dringende redenen
Appellant ontving bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor woninginrichting en andere kosten, met de verplichting tot maandelijkse aflossing. Na intrekking van de bijstand stopte appellant met aflossen, waarna het college de lening terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet in staat is de lening ineens of in termijnen terug te betalen vanwege gebrek aan inkomen. De Raad oordeelde dat appellant niet heeft aangetoond dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, zoals bedoeld in artikel 58, achtste lid, WWB.
De Raad benadrukte dat dringende redenen alleen kunnen bestaan bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die uitzonderlijk en individueel zijn. Appellants betalingsonmacht is geen gevolg van de terugvordering zelf, en hij kan bescherming zoeken via de beslagvrije voet bij invordering.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat geen dringende redenen zijn aangetoond om hiervan af te zien.