ECLI:NL:CRVB:2016:952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- Y.J. Klik
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving sinds 2001 bijstand als alleenstaande ouder en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een anonieme melding startte de gemeente een onderzoek waaruit bleek dat zij sinds 2007 met L een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college voldoende bewijs had dat appellante en L hun hoofdverblijf deelden, ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven. Verklaringen van partijen en getuigen, waarnemingen en onderzoek ondersteunden dit.
De Raad overwoog dat het college op grond van de WWB verplicht was de bijstand in te trekken en terug te vorderen, ook over de periode vóór de wetswijziging in 2013, omdat geen overgangsrecht was geregeld. Appellante kon zich niet beroepen op dringende redenen om terugvordering te voorkomen. Ook het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en privacy werd verworpen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding.