ECLI:NL:CRVB:2016:1341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende studerende met terugvordering
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studerenden voor de jaren 2012 en 2013. De minister voerde een huisbezoek uit op het adres waar appellante volgens de basisregistratie personen was ingeschreven, maar constateerde dat er nauwelijks persoonlijke eigendommen van appellante aanwezig waren die haar verblijf op dat adres konden bevestigen. Op grond hiervan herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellante vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende, met terugvordering van het te veel betaalde bedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, waarbij zij het bewijs van de minister aannemelijk achtte en de verklaringen van appellante en de hoofdbewoner als onvoldoende betrouwbaar beoordeelde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij feitelijk wel op het adres woonde en dat de terugwerkende kracht van de herziening onredelijk was en onvoldoende was gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister aan zijn bewijslast had voldaan en dat het wettelijk vermoeden van artikel 9.9 Wsf 2000 onverkort van toepassing was. De Raad vond geen aanwijzingen voor onredelijke besluitvorming en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de studiefinanciering met terugvordering wordt bevestigd.