ECLI:NL:CRVB:2016:1355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid volgens Wajong 2010
Appellant diende op 10 september 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering. Het UWV kende op 22 november 2013 een uitkering toe met ingang van 31 december 2013, na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant vóór zijn 17e verjaardag psychische klachten had, met geen volledig herstel binnen een jaar na wachttijd, maar dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was vanwege een lopende intensieve therapie.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV voldoende had onderbouwd dat er op termijn duurzame participatiemogelijkheden zijn, en dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn stelling van duurzame arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt zonder nieuwe medische informatie. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat appellant niet voldeed aan de definitie van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid volgens artikel 2:4 Wajong Pro 2010. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de uitkering pas 16 weken na aanvraag liet ingaan en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant niet volledig duurzaam arbeidsongeschikt is volgens Wajong 2010.