ECLI:NL:CRVB:2016:1369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-geïndiceerde functies
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met knie- en elleboogklachten. Na beëindiging van het dienstverband stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies. Na een nieuwe ziekmelding en onderzoek door verzekeringsartsen werd appellant per 9 december 2013 geschikt geacht voor werk binnen de geduide functies, waarop het UWV de Ziektewetuitkering beëindigde.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen ernstig zijn en dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat het UWV een zorgvuldig onderzoek heeft verricht, waarbij alle klachten zijn meegewogen en medische gegevens zijn beoordeeld. Er waren geen aanwijzingen dat de beperkingen waren toegenomen sinds de eerdere WIA-beoordeling.
Omdat appellant geen aanvullende medische gegevens heeft overgelegd, concludeerde de Raad dat het oordeel van de verzekeringsarts juist is en dat appellant terecht geschikt is geacht voor de functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.