ECLI:NL:CRVB:2016:137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- W.J.A.M. van Brussel
- J.A.M. van den Berk
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding en onherstelbare impasse
Appellant was sinds 2007 werkzaam bij een gemeente en kreeg in 2013 ontslag verleend op grond van een verstoorde arbeidsverhouding en het ontbreken van uitzicht op vruchtbare samenwerking, conform artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. Na diverse functioneringsgesprekken en een verbetertraject bleef het functioneren van appellant onder de maat, met name door zijn houding bij kritiek en het niet naleven van instructies.
In oktober 2012 ontstonden nieuwe twijfels over het functioneren van appellant, waarna hij zijn werk als projectleider neerlegde. Ondanks een laatste verbeterkans in november 2012, negeerde appellant expliciete instructies om niet met collega’s in discussie te gaan, wat leidde tot verlies van vertrouwen door het college in een vruchtbare samenwerking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. Het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten werd afgewezen omdat dit verzoek te laat in hoger beroep werd ingediend.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was het ontslagbesluit te nemen gezien de situatie op het moment van ontslag en dat de subsidiaire ontslaggrond niet hoefde te worden besproken. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 januari 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het ontslag wordt bevestigd wegens een onherstelbare verstoorde arbeidsverhouding.