Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker ontving sinds 1 juli 2014 een WW-uitkering en vroeg het UWV telefonisch toestemming om drie keer per jaar twee weken in Finland te verblijven met behoud van zijn uitkering om voor zijn dochter te zorgen. Het UWV reageerde per brief van 2 juli 2015 dat hij maximaal 20 dagen per jaar met behoud van WW op vakantie in het buitenland mocht zijn, en dat langer verblijf geen recht op uitkering gaf.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze brief, waarna het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde en later niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb maar een informatieve mededeling zonder rechtsgevolg.
In hoger beroep betoogde verzoeker dat de brief wel rechtsgevolg had en dat het UWV handelde in strijd met het vertrouwensbeginsel en het recht op familieleven. De Centrale Raad van Beroep bevestigde echter dat de brief geen besluit is omdat het rechtsgevolg pas ontstaat bij feitelijk langer verblijf dan toegestaan. Daarom kon niet worden toegekomen aan de EVRM-klacht.
De Raad oordeelde dat de brief geen bestuurlijk rechtsoordeel bevatte en dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de brief van 2 juli 2015 geen besluit is in de zin van de Awb.