ECLI:NL:CRVB:2016:1385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, werkzaam als orderverwerkster en ZZP-administratief medewerkster, werd door het UWV beoordeeld als minder dan 35% arbeidsongeschikt, waardoor zij geen recht had op een WIA-uitkering. Het UWV baseerde dit op een medisch onderzoek en een arbeidsdeskundige beoordeling die een verlies aan verdiencapaciteit van 6,86% vaststelden.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, mede omdat de verzekeringsartsen de medische informatie van behandelaars hadden betrokken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar niet zelf had onderzocht en geen informatie had ingewonnen bij de behandelend sector.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig was, omdat het tot de taak van de verzekeringsarts behoort om medische gegevens te wegen en dat raadpleging van de behandelend sector alleen nodig is bij afwijkende opvattingen of significante behandelinvloeden. Appellante bracht geen nieuwe medische stukken in die haar standpunt ondersteunden. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep was goed gemotiveerd en het oordeel van de rechtbank werd onderschreven.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.