ECLI:NL:CRVB:2016:1390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand en gaf op te wonen op een specifiek uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Kollumerland stelde echter twijfel over de woon- en leefsituatie vast en startte een onderzoek. Dit onderzoek omvatte dossieronderzoek, waarnemingen bij het uitkeringsadres, raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie en het horen van buurtbewoners.
De bevindingen toonden aan dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef gedurende de periode van 1 november 2013 tot en met 19 maart 2014. Zo werd appellant niet gezien bij het adres, waren de rolgordijnen gesloten en de tuin slecht onderhouden, en meldde TNT Post retour met de mededeling “vertrokken/onbewoond”. Appellant voerde aan dat zijn afwezigheid verklaard kon worden door een agressieproblematiek, ondersteund door een verklaring van een klinisch psycholoog, maar dit werd niet voldoende geacht.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak, stellende dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat hij niet op het uitkeringsadres woonde. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde.