ECLI:NL:CRVB:2016:1392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemelde stortingen op bankrekening
Appellant ontvangt sinds november 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek bleek dat tussen december 2013 en februari 2014 kasstortingen op zijn bankrekening plaatsvonden, die appellant niet heeft gemeld. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand over deze periode en vorderde €1.364,20 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de stortingen niet als inkomen konden worden aangemerkt omdat deze afkomstig waren van zijn vriendin, die vanwege problemen met haar eigen bankrekening gebruik maakte van zijn rekening. Hij overlegde een verklaring van zijn vriendin ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat het aan appellant was om aannemelijk te maken dat de stortingen niet tot zijn middelen behoorden. De verklaring van zijn vriendin was onvoldoende concreet en verifieerbaar. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat de stortingen als middelen in de zin van artikel 31 WWB Pro moeten worden beschouwd. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van €1.364,20 bijstand wordt bevestigd.