ECLI:NL:CRVB:2016:1463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens hoofdverblijf elders
Appellant ontving sinds november 2011 bijstand en stond sinds april 2013 ingeschreven op een woonadres. Naar aanleiding van een signaal over verhuizing startte het college een onderzoek, waarbij appellant niet op het woonadres werd aangetroffen tijdens een huisbezoek. Appellant verklaarde later dat hij het merendeel van zijn dagelijkse activiteiten elders verrichtte.
Het college trok de bijstand met ingang van 23 april 2013 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond wegens een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit omdat het bewijs voldoende was. De Raad beoordeelde dat het college terecht aannam dat appellant zijn hoofdverblijf niet op het woonadres had en dat de verklaring van appellant op 24 mei 2013 niet onlosmakelijk verbonden was met het huisbezoek.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden. De bijzondere omstandigheden en financiële gevolgen van appellant gaven geen reden af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand zijn terecht; het hoger beroep wordt afgewezen.