ECLI:NL:CRVB:2016:147

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2016
Publicatiedatum
15 januari 2016
Zaaknummer
14/6087 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als postsorteerder en schoonmaker, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval met fysieke klachten. Het UWV stelde vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor hij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische klachten en het postcommotioneel syndroom onvoldoende in de beoordeling waren meegenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische gegevens goed had beoordeeld. De Raad stelde vast dat er geen aanwijzingen zijn voor licht traumatisch hersenletsel of PTSS en dat de diagnose beperkt is tot een aanpassingsstoornis met depressieve klachten.

De Raad concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst correct is toegepast en dat appellant geschikt is voor de functies die aan het besluit ten grondslag liggen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

14/6087 WIA
Datum uitspraak: 15 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
8 oktober 2014, 13/7610 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.R. Kross, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 4 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kross. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was laatstelijk vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving werkzaam als postsorteerder en schoonmaker. Hij heeft zich op
9 augustus 2011 ziek gemeld met fysieke klachten na een bedrijfsongeval.
1.2.
Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat appellant met ingang van 6 augustus 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Bij besluit van 13 november 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 juli 2013, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
2.2.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest of dat het onderzoek heeft geleid tot onjuiste conclusies. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is voldoende gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten alle relevante medische informatie in ogenschouw genomen en op inzichtelijke wijze gesteld dat geen sprake is van wezenlijke nieuwe gezichtspunten. Appellant heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is bij de beoordeling rekening mee gehouden dat appellant onder behandeling is bij diverse artsen, terwijl ter zitting is gebleken dat appellant thans uitsluitend nog in behandeling is bij GGZ en de huisarts. Dat appellant in het geheel niet kan samenwerken met anderen is niet onderbouwd. Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op zijn medicatie heeft te gelden dat onvoldoende is gemotiveerd dat daaruit (aanvullende) beperkingen voortvloeien. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische onderbouwing.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat te weinig beperkingen zijn aangenomen. Kort samengevat heeft appellant aangevoerd dat ten gevolge van het ongeval en het fysieke trauma bij hem psychische klachten zijn ontwikkeld, die onvoldoende vertaald zijn in beperkingen. Verder heeft specialistisch onderzoek uitgewezen dat de kneuzing van schouder en nek en klachten passend zijn bij een postcommotioneel syndroom. Ten onrechte is hieraan onvoldoende aandacht geschonken.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 december 2014, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad acht de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen juist. Terecht is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om het onderzoek van het verzekeringsartsen onzorgvuldig, of de conclusies daarvan onjuist, te achten. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.2.
In zijn rapport van 15 december 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat ten onrechte wordt aangevoerd dat sprake zou zijn van licht traumatisch hersenletsel. Dit is niet uit de brief van de neuroloog af te leiden, want het hersenweefsel is niet getraumatiseerd in geval van een commotio. Dan wordt immers gesproken van een contusio cerebri en afwijkingen in de cerebro zijn verder uitgesloten op de CT-scan. De neuroloog beperkt zich tot ‘postcommotionele klachten’ wat niet synoniem is met ‘postcommotioneel syndroom’. Voor zover hier sprake van zou zijn geweest ligt een dergelijke conclusie eerder op het terrein van de psychiater en die diagnose wordt niet door de psychiater gesteld, zoals uit de brief van de GGZ blijkt. Ook gaat appellant te ver met de suggestie dat hij symptomen heeft passend bij een subduraal hematoom. Wanneer de neuroloog dat in 2011 heeft uitgesloten, mag dit nu als vaststaand worden aanvaard. Verder zijn door de psychiater onvoldoende aanknopingspunten geconstateerd voor de diagnose PTSS. Daarom is de diagnose beperkt tot een aanpassingsstoornis die gepaard kan gaan met depressieve klachten. De Raad heeft geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet juist te achten. Voor het opnemen per datum in geding van meer of zwaardere beperkingen, zowel in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren alsook op fysiek terrein, zoals door appellant is bepleit, is geen medische onderbouwing te vinden in de vele in dit dossier beschikbare medische gegevens over zijn gezondheidstoestand.
4.3.
Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belasting in medisch opzicht geschikt voor appellant.
4.4.
Gelet op wat in 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2016.
(getekend) E. Dijt
(getekend) L.H.J. van Haarlem
sg