Uitspraak
3 oktober 2014, 14/2014 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zijn WGA-vervolguitkering niet wijzigt omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid tussen 55% en 65% blijft. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat er geen sprake was van een verslechtering van zijn gezondheidstoestand.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische en fysieke klachten waren toegenomen, onder meer door behandeling bij een psychiater en fysiotherapeut, en dat hij niet in staat was de voorgestelde functies uit te oefenen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de argumenten van appellant in wezen een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat het UWV de medische gegevens adequaat had betrokken bij haar beoordeling. De Raad bevestigde dat de functies medisch passend waren en dat het bestreden besluit terecht was genomen. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en verklaart het hoger beroep ongegrond.