Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1510

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
26 april 2016
Zaaknummer
14-7170 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging vervolguitkering WIA na medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd

Appellante, een voormalig leerkracht basisonderwijs, viel uit op 14 juni 2010 wegens pijnklachten en kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid tot 11 februari 2014.

Het UWV stelde bij besluit van 18 november 2013 na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2014 minder dan 35% bedroeg, waardoor zij geen recht meer had op een vervolguitkering. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidskundige beoordeling voldoende gemotiveerd. In hoger beroep stelde appellante dat zij nog steeds 80 tot 100% arbeidsongeschikt was en niet in staat om de geselecteerde functies te vervullen vanwege rolstoelgebruik.

De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing gaf voor haar stellingen en dat het rolstoelgebruik niet in de weg stond aan de geschiktheid voor de geselecteerde functies, zoals overtuigend gemotiveerd door arbeidsdeskundigen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de vervolguitkering per 11 februari 2014 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

14/7170 WIA
Datum uitspraak: 26 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2014, 14/2686 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016. Appellante is niet verschenen. Haar gemachtigde is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als leerkracht basisonderwijs voor 22,76 uur per week. Op 14 juni 2010 is zij uitgevallen voor haar werk vanwege pijnklachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellante per einde wachttijd (11 juni 2012) recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%, tot maximaal 11 februari 2014.
1.2.
Bij besluit van 18 november 2013 heeft het Uwv na medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellantes arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2014 minder dan 35% bedraagt en dat zij om die reden met ingang van die datum geen recht heeft op een vervolguitkering. Na bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2014 (bestreden besluit) de beëindiging van de uitkering per 11 februari 2014 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, met veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat naar haar oordeel het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Voorts is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid niet overschrijdt.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij per 11 februari 2014 nog steeds 80 tot 100% arbeidsongeschikt was, dat de verzekeringsartsen te weinig beperkingen in aanmerking hebben genomen en dat zij per 11 februari 2014 niet in staat was de voor haar geselecteerde functies te vervullen omdat zij in een rolstoel zit.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. In hoger beroep is geen toelichting gegeven aan de hand van medische verklaringen voor de stelling dat appellante
meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 4 maart 2013. Dat rolstoelgebruik niet in de weg stond aan de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies studie- en beroepskeuze adviseur, schadecorrespondent en boekhouder is door de arbeidsdeskundigen in hun rapporten van 3 april 2013 en 3 oktober 2014 overtuigend gemotiveerd.
4.3.
Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) B. Dogan

MO